Indicaties

Eprex® (epoetin alfa) kent een aantal therapeutische indicaties. Meer over de therapeutische indicaties:

EPREX is geïndiceerd voor de behandeling van symptomatische anemie geassocieerd met chronisch nierfalen:

  • bij volwassenen en pediatrische patiënten van 1 tot 18 jaar die hemodialyse ondergaan en bij volwassen patiënten die peritoneale dialyse ondergaan.
  • bij volwassenen met nierinsufficiëntie die nog geen dialyse ondergaan, voor de behandeling van ernstige anemie van renale oorsprong, vergezeld van klinische symptomen.

EPREX is geïndiceerd bij volwassenen die chemotherapie krijgen voor solide tumoren, kwaadaardig lymfoom of multipel myeloom, en met risico op transfusie vastgesteld op basis van de algemene toestand van de patiënt (bv. cardiovasculaire toestand of reeds bestaande anemie bij het begin van de chemotherapie) voor de behandeling van anemie en vermindering van transfusiebehoeftes.

EPREX is geïndiceerd bij volwassenen in een predonatieprogramma om de opbrengst van autoloog bloed te verhogen. De behandeling dient enkel te worden gegeven aan patiënten met matige anemie (hemoglobineconcentratie tussen 10 en 13 g/dl [6,2 tot 8,1 mmol/l], geen ijzerdeficiëntie) als procedures om bloed te sparen niet beschikbaar of onvoldoende zijn als de geplande majeure electieve heelkundige ingreep een groot volume aan bloed vraagt (4 of meer eenheden bloed bij vrouwen of 5 of meer eenheden bij mannen).

EPREX is geïndiceerd bij volwassenen zonder ijzerdeficiëntie voorafgaand aan een majeure electieve orthopedische heelkundige ingreep, waarbij verwacht wordt dat er een groot risico bestaat voor transfusie-complicaties, om blootstelling aan allogene bloedtransfusies te beperken. Het gebruik moet beperkt worden tot patiënten met matige anemie (bv. met hemoglobineconcentratie tussen 10 en 13 g/dl) waarvoor geen autoloog bloeddonatieprogramma beschikbaar is en waarbij een matig bloedverlies wordt verwacht (900 tot 1800 ml).

Eprex is geïndiceerd voor de behandeling van symptomatische anemie (hemoglobineconcentratie ≤10 g/dl ) bij volwassenen met laag- of intermediair-1-risico primaire myelodysplastische syndromen (MDS) die een laag serumgehalte van erytropoëtine (<200 milli-eenheden per ml) hebben.